Publicatiedatum: 15-7-2006

 

 

'Ik wil iemand anders worden'

 

LINDA HUIJSMANS

Drie jaar na zijn vertrek bij het Stedelijk keert Rudi Fuchs terug naar zijn oorsprong. Hij begon zijn carrière als Rembrandt-specialist en laat in zijn nieuwe boek Rembrandt zelf aan het woord. 'Ik wil niet eeuwig de ex-directeur blijven'

Een medewerker van zijn uitgeverij duwt Rudi Fuchs een krant onder de neus: 'Stedelijk heeft gat van 3,8 miljoen', luidt de kop. 'Het zal wel', mompelt Fuchs, maar neemt de krant toch aan. Als ik even later bij hem aanschuif is hij verdiept in het artikel, slaat het prompt dicht en zegt ferm: 'Over het museum ga ik niets meer zeggen. Ik heb me daar onlangs weer toe laten verleiden, maar ik heb er geen zin meer in. Het is voorbij.'

Goed. Laten we het over Rembrandt hebben. Zijn leermeester, de grote Rembrandt-kenner Henri van de Waal, bracht de jonge student Rudi Fuchs liefde voor de oude meester bij en al heeft zijn loopbaan hem later vooral in contact gebracht met moderne kunstenaars, Rudi Fuchs heeft Rembrandt nooit losgelaten. 'Tijdens het schrijven van dit boek hoefde ik niet één keer naar de bibliotheek. Alle relevante boeken bleek ik in mijn bezit te hebben. Het deed me deugd om dat te merken', glimlacht hij.

Toch was zijn voornaamste drijfveer om dit boek over Rembrandt te schrijven het feit dat er zo weinig nieuws over de schilder verschijnt. 'Een deel van het jaar woon ik in Engeland, omdat ik nu eenmaal van de Angelsaksische cultuur houd', zegt hij bijna verontschuldigend, 'en in dat land verschijnt elk jaar een nieuw boek over Shakespeare vanuit weer een andere invalshoek. In Nederland is niet eens een boek met alle etsen van Rembrandt te krijgen. We moeten de oude meesters niet met rust laten. Zij zijn de maat van alle dingen waarnaar we steeds opnieuw moeten terugkeren.'

Aanvankelijk was Fuchs van plan een novelle te schrijven over de relatie tussen Rembrandt en zijn tijd- en stadgenoot Joost van den Vondel. 'Kunsthistorici houden hem en zijn toneelwerk vaak krampachtig weg bij Rembrandt, maar het kan niet anders of ze hebben elkaar goed gekend. Amsterdam was in die tijd een klein stadje. Het is ondenkbaar dat ze elkaar niet regelmatig op straat of in de kroeg tegenkwamen. Bovendien was Rembrandt een groot liefhebber van theater. Er bestaan theorieën dat hij Vondel geholpen heeft met de Ghijsbrecht en zelfs dat de Nachtwacht een scène uit dat toneelstuk is. Zo kwam ik op het absurde idee om een novelle te schrijven met Joost van den Vondel en Rembrandt van Rijn als hoofdpersonen. Ik ben eraan begonnen en moest helaas tot de conclusie komen dat ik het niet kan.'

Dus koos hij voor een tussenvorm. De kenner Fuchs schrijft het verhaal en voert Rembrandt de schilder daarbij regelmatig sprekend en denkend op. Fuchs wilde op deze manier proberen te achterhalen hoe de meester schilderde, hoe hij zich heeft ontwikkeld en wat hem heeft beïnvloed. Dat alles geschreven in modern Nederlands en in de tegenwoordige tijd, waardoor de schilder heel dichtbij komt.

'Zoals Rembrandt schildert, zo schrijf ik. Al doende, al zoekende. Ik ben getraind in het kijken naar details. Wil je een schilderij goed bestuderen, dan moet je het aftasten, soms met je neus erbovenop, dan weer van een afstand. Je moet blijven peuren, blijven kijken, steeds opnieuw. Een kunsthistoricus kijkt afstandelijker, die ziet een schilderij als een product dat af is. Ik niet. Ik beschrijf het

proces door als het ware midden in het schilderij te gaan zitten.'

Rembrandt spreekt is een 'leesboek om te kijken' geworden. In totaal passeren bijna honderd schilderijen, tekeningen en etsen de revue, die telkens als ze in de tekst aangehaald worden, opnieuw staan afgedrukt. 'Het is geen studieboek, het is een leesboek', benadrukt Fuchs nog maar eens. 'Het zijn zwart-wit afdrukken waarop goed te zien is wat ik bedoel. Wie een mooie reproductie wil zien moet er een ander werk naast leggen.'

Terwijl hij zo intensief met de oude meester en zijn werk bezig was, merkte Rudi Fuchs dat Rembrandt opeens tegen hem begon te praten. Dat lag niet aan hem, merkte hij een beetje tot zijn opluchting. Componist Louis Andriessen bekende hem dat hij regelmatig gesprekken had met Bach. Schrijftechnisch kwam het ook goed van pas. 'Alles wat ik niet zeker weet, laat ik hem zeggen', zegt hij. Maar de schrijver Fuchs is nooit ver weg. Hij haalt grapjes uit met de lezer door Rembrandt de gevleugelde woorden 'Ik rotzooi maar wat an' in de mond te leggen - een hommage aan de onlangs overleden schilder Karel Appel. Als ik hem ernaar vraag, glimlacht Rudi Fuchs besmuikt. 'Een grapje voor insiders', zegt hij. Meer moeten we er niet achter zoeken.

Aan het begin van het gesprek heeft hij om een glas water en een kop koffie gevraagd, maar die heeft hij niet aangeraakt. Als Rudi Fuchs begint te praten, is hij nauwelijks te stoppen. In de rede vallen heeft geen zin, hij maakt eerst zijn betoog af, maar komt dan terug op de gestelde vraag. Wie oppervlakkig luistert, hoort in de eerste plaats een man die wat eentonig spreekt, maar hij verraadt zijn passie regelmatig door op onverwachte momenten te glimlachen. Hij doet dat door het samenknijpen van zijn ogen. Soms kijkt hij om zich heen, de zomerse tuin door, op zoek naar een voorbeeld om zijn betoog te verduidelijken. Bijvoorbeeld een grote struik bloemen om uit te leggen dat er verschillende soorten wit bestaan en dat Rembrandt er een meester in was om die op het doek uit te drukken.

'Het mooiste doek van Rembrandt vind ik nog steeds De Staalmeesters. Dat is een meesterlijk voorbeeld van hoe je meer kunt bereiken door zo min mogelijk te schilderen. De Nachtwacht is nog een en al beweging en rumoer, geschilderd in dat typische uitbundige handschrift van Rembrandt. Maar bij De Staalmeesters bereikt hij het maximale effect met minimale middelen. Van elke persoon zie je bijvoorbeeld maar één hand, moet je maar eens opletten, en elke hand is anders. Die vijf handen samen vertellen alles. Een van de mannen slaat net een pagina om in een boek en door de lichtval zie je zo verschillende soorten wit. Zo laat Rembrandt zien waartoe hij in staat is zonder zijn toevlucht te hoeven nemen tot veel symbolen of trucjes.'

De combinatie van passie, kennis en jarenlange ervaring in het kijken naar en schrijven over kunst, kreeg al eerder zijn beslag in Onder Kunstenaars, Fuchs' levenswerk dat in 2003 verscheen. In dit massieve boek, zo dik als twee op elkaar gestapelde bakstenen, doet hij verslag van dertig jaar atelierbezoeken, lezingen en beschouwingen over zijn favoriete kunstenaars.

'Zonder die atelierbezoeken had ik Rembrandt spreekt niet kunnen schrijven', zegt hij nu. 'Daar heb ik gezien hoe schilders werken en dankzij hen kan ik me voorstellen hoe Rembrandt geschilderd moet hebben. Ik weet hoe een hand het penseel vasthoudt en soms met niet meer dan een klein knikje met de pols of een minieme vingerbeweging net dat beetje nuance aanbrengt in de verf. Wie als een academicus kunst beschouwt ziet dat niet. Dankzij die ervaring kijk ik nog nauwkeuriger naar het rode tafelkleed van De Staalmeesters. Die verf heeft Rembrandt gemanipuleerd en bewerkt tot het de intensiteit had die hij zocht.'

Tot aan zijn dood in mei van dit jaar was de kunstenaar Karel Appel een goede vriend van Rudi Fuchs. Het allerlaatste schilderij dat hij heeft gemaakt, is zijn portret. 'Hij voelde zich iets beter en hij wilde iets doen. Een keer of acht ben ik bij hem geweest, een assistent moest hem helpen, hij trilde zo. En dan zag ik hem kijken (Fuchs mimet de bewegingen van de schilder): zijn ogen op mij, dan weer op het doek, terug naar mij, dan peinzend zijn penseel neerzetten, nog een keer kijken. Hij voert uit wat hij ziet. Rembrandt moet ook zo gewerkt hebben. Het was die Rembrandt die ik op het spoor wilde komen.'

Hij mag dan gelden als een groot kenner van Rembrandts werk, door zo dicht op zijn huid te gaan zitten, werd Rudi Fuchs zelf toch weer verrast. 'Ik ben blij met de rol van die arme Pieter Lastman. Hij is de geschiedenis in gegaan als de leermeester die Rembrandt al snel achter zich liet, maar daarmee doen we hem tekort. Hij was een pionier, een van de eersten die de grote historiestukken die we van de Italianen kenden, op het kleine, Hollandse formaat gingen schilderen. Waar de Italianen beieren als klokken, tikken de Hollandse meesters als horloges. Lastman heeft daar zijn eigen draai aan gegeven. Ik denk dat Rembrandt een enorme waardering voor hem had. Toen Rembrandt werkte aan zijn eerste Kruisoprichting, lag Lastman om de hoek te sterven. Ik weet zeker dat hij hem toen bezocht heeft.'

Een andere verrassing voor Fuchs waren de etsen. In Nederland wordt Rembrandt in de eerste plaats als schilder gezien, niet als tekenaar en zeker niet als etser. Dankzij Georg Baselitz is Fuchs die beter gaan bestuderen. 'Baselitz zei dat hij soms teleurgesteld is in de schilderijen van Rembrandt. Hij had het idee dat Rembrandt soms vastliep in de verf. De wendbaarheid die Rembrandt heeft als tekenaar en etser, stokt daar vaak. Voor mij was dat een ontdekking. Van daaruit ben ik gaan kijken hoe Rembrandts "handschrift" zich heeft ontwikkeld.'

Tussen Baselitz en Rembrandt ligt meer dan 350 jaar, maar dat vindt Fuchs onbelangrijk: 'Ook als je je bezighoudt met moderne kunst moet je steeds weer teruggaan naar de oude meesters.'

'Wij hebben Rembrandt vastgenageld in onze cultuur. Hij is een icoon geworden zoals KLM dat is, of het Nederlands elftal. We denken er niet meer over na. Niemand weet wie Rembrandt van Rijn werkelijk was. Daarom heb ik zo nauwkeurig naar hem gekeken. Naar wat hij moest doen om zijn tekeningen, etsen en schilderijen te krijgen zoals hij het wilde. Eigenlijk was Rembrandt een van de eerste experimentele kunstenaars. Hij was niet tevreden met hoe de dingen altijd gedaan werden, hij wilde het anders doen. In die zin was hij arrogant, zoals zoveel kunstenaars. Niet omdat ze onaardig zijn, maar omdat ze de overtuiging hebben dat er meer mogelijk moet zijn.'

Rembrandt spreekt is zeker niet Fuchs laatste boek. Hij houdt van schrijven. En daarbij: 'Ik wil iemand anders worden. Alles liever dan eeuwig herinnerd te blijven als de ex-directeur van het Stedelijk Museum. Ik kan wel blijven mokken, maar dat heeft geen zin.'

Het onderwerp is niet te vermijden, al is hij er inmiddels drie jaar weg. 'Ik ben kwaad over hoe het toen gegaan is, eigenlijk ben ik nog steeds boos, maar verder is daar nu niets zinnigs meer over te zeggen.'

Ik vraag hem naar de klas allochtone jongeren die hij les heeft gegeven over Het Joodse bruidje, naar aanleiding van zijn ingezonden brief waarin hij zijn woede uitte over de staatssecretaris die vond dat musea in de eerste plaats 'leuk' en 'interactief' moeten zijn.

'We moeten af van het idee dat kunst moeilijk is. Er was een tijd dat de suppoosten in het museum niet mochten praten met de bezoekers. Misschien omdat men bang was dat ze het eens waren met mensen die de moderne kunst maar geknoei vonden. Op een dag hoorde ik toevallig een conversatie waarin een bezoeker aan een suppoost vroeg: "Dat doek daar heeft 450.000 gulden gekost. Vindt u dat niet veel geld?" Waarop de suppoost antwoordde: "Ach, een speler van Ajax kost veel meer en die gaat maar vier jaar mee." Daarop ontstond bij mij het idee om verhalenvertellers in een museum te laten rondlopen. Mensen aan wie je iets kunt vragen, maar die je ook ongevraagd dingen vertellen. Die heiligheid moet van de kunst af.'

Zelf is hij bij uitstek een verhalenverteller. Hij geeft colleges aan de universiteit van Amsterdam en daar beleeft hij plezier aan. 'Dat kan ik. Les geven, verhalen vertellen. Daar ben ik goed in. Mijn colleges waaieren altijd uit. Ik neem één schilderij en van daaruit begin ik te vertellen. Zo zat ook mijn afscheidstentoonstelling in het Stedelijk in elkaar: Tot zover. Die heb ik samengesteld op basis van doeken die ik had aangekocht, elk beeld leidt weer tot een ander. Ik ben van plan volgend jaar een college te geven over die expositie en wellicht komt er dan een dvd van uit.'

De catalogus van de tentoonstelling is tot nu toe niet verschenen en ook dat zit hem dwars. Hij kan het niet laten om daar toch nog even op terug te komen. 'Waarom moet dat drie jaar duren? Dat begrijp ik niet.'