‘Het schrijven heeft mijn leven gered’

 

Per Olov Enquist mag de 70 gepasseerd zijn, met zijn volle bos haar, gebruinde gezicht en lange gestalte oogt hij een stuk jonger. In Nederland brak hij in 2001 door met de vertaling van Het bezoek van de Lijfarts. Zijn meest biografische werk is Kapitein Nemo’s bibliotheek en het meest recent verscheen de vertaling van Blanche en Marie. Enquist heeft lang geworsteld met de gevolgen van zijn streng godsdienstige opvoeding en zijn alcoholverslaving. Sinds die twee demonen verslagen zijn produceert hij meer dan ooit.  

 

 

Door Linda Huijsmans

 

Voor we over zijn werk komen te spreken, gaat Per Olov Enquist in de bibliotheek waar we elkaar ontmoeten, op zoek naar de boeken van Anna Enquist. Zij ontleende haar pseudoniem aan zijn naam. ‘Ze kwam het me zelf vertellen tijdens een boekenbeurs. Ze maakte haar excuses, vroeg of ik het erg vond. Integendeel! Ik voelde me zeer vereerd. En ze schrijft nog goede boeken ook, heb ik gehoord. In de tijd dat Het bezoek van de Lijfarts bij u in de toptien stond, werd zij als schrijver ervan genoemd. Dat is toch leuk?’

 

 

In Blanche en Marie vertelt u het verhaal over de vriendschap tussen Marie Curie, de eerste vrouw ooit die een Nobelprijs won, en haar assistente Blanche. Opvallend vond ik dat er beelden en citaten in voorkomen uit onder andere Kapitein Nemo’s bibliotheek, dat toch dertien jaar eerder geschreven is en ook nog eens een heel ander verhaal is.

‘Ik zie mijn oeuvre als een huis en de boeken vormen de afzonderlijke kamers. Ze zijn allemaal met elkaar verbonden, maar dat zie ik pas als achteraf. Als een boek af is merk ik dat er onbedoeld toch weer overeenkomsten of associaties in terechtgekomen zijn, die verwijzen naar een ander deel van mijn werk.

Tijdens het schrijven probeer ik weg te blijven van mijn oude ideeën, maar ongemerkt wringen ze zich er altijd tussen. In Kapitein Nemo komt herhaaldelijk de scène voor waarin de vrouw de bus uitstapt en de buschauffeur ‘de mensen in de bus (had) gevraagd of er niet iemand was die zich over haar kon ontfermen, maar ze had geen hulp willen hebben omdat ze zich zo ellendig voelde en dat niet wilde tonen’. Dezelfde scène staat al in een boek dat ik in 1985 schreef, Gevallen engelen en komt ook weer voor in Blanche en Marie.

En ook de mythe van het wezen met de twee hoofden heb ik al eens in een boek gebruikt. Blijkbaar zijn dat mijn darlings. Ze wringen zich er altijd weer tussen. Dat lukt ze omdat ik heel intuïtief schrijf. Als ik klaar ben met mijn eerste versie, liggen er honderden bladzijdes die vol staan met gebabbel. Ik haat dat. Dus ga ik herschrijven en schrappen. To Kill my darlings.’

 

Het boek is gebaseerd op een schilderij van André Broulliet: Une leçon de clinique à la Salpêtrière. Een fragment daaruit is gebruikt voor de omslag van het boek. Vindt u het een mooi schilderij?

‘Ik heb er een heel dubbel gevoel bij. Het beeldt een seance af van Charcot en je ziet Blanche in hypnose. Zij staat in het midden en aan de rand zitten twintig wetenschappers aandachtig toe te kijken. Je kunt het zien als een bijeenkomst van geleerde mannen, maar je kunt het ook als een pornografische afbeelding opvatten. Er kijken twintig mannen naar een vrouw die half ontkleed is en behaagziek glimlacht. Die lach vind ik raadselachtig. Ik wil weten wat die betekent. Voelt ze zich echt zo ontspannen? Of zit ze iedereen voor de gek te houden? Ik wilde meer over haar weten, maar hoewel vele, vele wetenschappers naar haar gekeken hebben, is er niets over haar bekend. En voor zover ik weet heeft ze zelf nooit iets geschreven.’

 

 

Het boek gaat over de liefde maar alle hoofdpersonen gaan er uiteindelijk aan onderdoor. Blanche weigert tot het einde de liefde van Charcot te beantwoorden. Als bekend wordt dat Marie een affaire heeft met een getrouwde man komt de uitreiking van haar tweede Nobelprijs zelfs in gevaar. Het is geen optimistisch boek. U schrijft zelfs een paar keer: ‘Wie kan de liefde verklaren?’

‘Het zijn twee heel verschillende vrouwen. Marie is een moderne vrouw, actief in de wetenschappen en op het moment dat ze verliefd wordt, ontstaat er een enorme haatcampagne rond haar persoon. Blanche is dienstbaar, zij leeft op de achtergrond. Eerst helpt ze Charcot met zijn proeven, later Marie, al betaalt ze daar een hoge prijs voor als delen van haar lichaam geamputeerd moeten worden als gevolg van de straling. Zij is veel passiever, ook in de liefde. Tussen haar en Charcot gebeurt niets, tot helemaal aan het eind. Niemand kan de liefde verklaren, maar wie zou ik zijn, als ik het niet probeerde? Dat is bij uitstek de taak van een schrijver.’

 

In 1991 verscheen Kapitein Nemo’s bibliotheek in Zweden. Het is het bizarre verhaal van twee jongetjes die bij hun geboorte worden verwisseld. Als dat op hun zesde wordt ontdekt, worden ze ‘terug gewisseld’. U hebt wel eens gezegd dat dit boek voor u van levensbelang is geweest. Hoe zit dat precies?

‘Het is mijn familiegeschiedenis. In werkelijkheid is het mijn neef overkomen. De Enquist-verwisseling is legendarisch; iedereen in Zweden kent het verhaal. Toen er vermoedens rezen dat hij en een dorpsgenootje wel eens verwisseld konden zijn, zijn beide jongetjes uitgebreid onderzocht. De vorm van hun oorschelp tot in detail bestudeerd. De zaak is tot aan het hoogste gerechtshof geweest en de rechter bepaalde uiteindelijk dat het ‘absoluut hoogstwaarschijnlijk waar was’ dat ze verwisseld waren. Daarop zijn ze onder dwang en met politiebegeleiding elk bij hun biologische ouders afgeleverd.

In mijn vroegste jeugd woonde ik in ons dorp naast mijn neef en toen we op mijn twaalfde een paar honderd meter verderop verhuisden, kwam ik naast de andere jongen te wonen. Zijn moeder haatte alles wat Enquist heette, maar voor mij maakte ze om een of andere reden een uitzondering. Ze adopteerde me bijna. Ze was een zigeunerin en niet bepaald populair in het dorp.

Het verhaal van Eeva-Lisa is dat van mijn eigen stiefzus. Zij raakte zwanger op haar zestiende en stierf tijdens de voortijdige geboorte. Van beide vrouwen heb ik veel gehouden. Ze hebben elkaar hun hele leven gehaat en als jongen heb ik dat nooit begrepen. Het verhaal ligt dus dicht bij me. Het is gebeurd zoals ik het heb opgeschreven, maar natuurlijk niet precies zo.’

 

‘Maar ook anderszins heeft het schrijven van dit boek mijn leven gered. Eind jaren tachtig had ik een groot alcoholprobleem. Ik had een zelfmoordpoging gedaan en zat voor de zoveelste keer in een afkickcentrum. Deze keer had ik mijn laptop bij me en ik ben er aan de proloog voor Kapitein Nemo begonnen. Eenmaal thuis heb ik het hele verhaal als in een roes opgeschreven. Vier maanden lang was ik de gelukkigste man op aarde. Ik heb nooit meer een druppel alcohol aangeraakt en voelde me als herboren. Die roes duurt eigenlijk voort tot en met vandaag. Sinds 1990 heb ik enorm veel geproduceerd en het gaat maar door.’

 

U hebt er vaak voor gepleit de proloog uit Kapitein Nemo te schrappen en in de Nederlandse vertaling is die, in overleg met u, sterk ingekort. Waarom hebt u daar zoveel problemen mee?

‘Het stijlverschil is zo groot. De proloog schreef ik in dat gekkenhuis, zoals ik het zelf noem. Vanaf hoofdstuk 1 is de stijl nuchter en heb ik het verhaal onder controle. Ik ben ervan terug gekomen om de hele proloog te schrappen; het laat de transmissie zien van mijn ene leven naar het andere. Hij symboliseert de sprong die ik toen waagde zonder te weten of ik ooit nog zou landen. De proloog moet dus blijven, al kon hij wel wat korter. Veel mensen vinden de tekst onbegrijpelijk.’

 

Kapitein Nemo is een personage uit 20.000 Mijlen onder Zee van Jules Verne. Het jongetje kiest hem als zijn weldoener, omdat Jezus nooit tijd voor hem heeft.

‘Ja, ook dat is autobiografisch. In de strenge Pinkstergemeente waarin ik opgroeide, leerde ik natuurlijk dat Jezus de vertegenwoordiger van God op aarde was. Maar net als het jongetje in het boek merkte ik dat Jezus het veel te druk had om naar me te luisteren.

Mijn vader overleed toen ik zes maanden was en mijn moeder vertelde altijd dat hij vanuit de hemel op ons neerzag. Hij was mijn weldoener, iemand die ik om raad kon vragen. Later ontdekte ik de boeken van Jules Verne en kwam Kapitein Nemo daarbij. Die heb ik wel honderd keer gelezen. Ik ken Kapitein Nemo heel goed. Hij heeft wél tijd om te luisteren. Af en toe.’

 

In Blanche en Marie zegt de verteller een paar keer dat hij haast moet maken want ‘de werkelijkheid krimpt bij me vandaan’. Hebt u dat gevoel zelf ook?

‘Ik heb nog veel te vertellen. Plannen heb ik genoeg, maar de afgelopen vijf, zes jaar heb ik zo intens gewerkt dat ik voor mijn volgende projecten eigenlijk meer tijd moet nemen. Mijn vrienden zeggen altijd tegen me; ‘Man je bent 70, doe het eens wat rustiger aan!’ En ze hebben gelijk, natuurlijk. Maar het lukt me niet. Ik ben altijd bang dat die periode van voor 1990 terugkomt, toen ik niets meer op papier kreeg.’

 

Bijna al uw boeken zijn historische romans. Toch krijg ik het gevoel dat u zelf steeds nadrukkelijker in uw verhalen aanwezig bent. Klopt dat?

‘Ik probeer mijn eigen geschiedenis buiten het verhaal te houden, maar dat lukt nooit. Ik heb gemerkt dat als ik geen persoonlijke band heb met een verhaal, ik het ook niet kan schrijven. Ik heb eens twee jaar fulltime gewerkt aan een roman over Zweedse emigranten in Noord-Argentinië. Ik schreef achthonderd bladzijden maar het werd helemaal niks. Achteraf denk ik dat het komt doordat ik geen affiniteit had met het verhaal. Ik heb alles weg gegooid en ben the March of the Musician gaan schrijven. Dat ging heel vlot. Er moet een innerlijke kracht zijn. Een noodzaak om juist dat verhaal te schrijven.

Ik ben een verhalenverteller Het gaat om het verhaal, niet om mezelf. Maar ik ben wel steeds minder krampachtig bezig mezelf te verbergen. Ik ben wel dapperder geworden, of misschien moet ik zeggen; egocentrischer?’

 

‘Kijk’, zegt Enquist, en maakt een weids armgebaar naar de boeken om ons heen. ‘Kijk toch naar al die verhalen. Er is nog zoveel te vertellen en nog zoveel te lezen. En ik ben blij dat ik in Nederland nu ook gelezen word. Doe uw läsecirkel vooral de hartelijke groeten van mij.’

Bij deze.

 

www.leeskringen.nl