Publicatiedatum: 2-7-2005

'Moslim zijn is een keuze'

Linda Huijsmans

Naema Tahir mengt zich nadrukkelijk in het debat over integratie, waar ze opvalt door haar genuanceerde standpunten. Maar aan één standpunt houdt ze wel halsstarrig vast: de discussie moet niet uitsluitend over religie gaan

Den Haag biedt op deze koude lenteochtend een bizarre aanblik. De straat tegenover het Tweede-Kamergebouw is afgezet met rood-witte linten en het wemelt er van de blauwe politie-uniformen. Een verdacht pakketje zorgt voor opschudding en iedereen wordt op afstand gehouden.

Het zijn taferelen die steeds vaker in het straatbeeld te zien zijn. Naema Tahir woont en werkt als jurist in Straatsburg, 'een ambtenarenstad, een beetje saai ook', maar de weekenden brengt ze vaak door in Den Haag. Leuker dan Straatsburg, al zit ze ook weer niet op dit soort opwinding te wachten.

Als het verdachte pakketje geen explosieven blijkt te bevatten komt het leven in no time weer op gang, net als ons gesprek. We nemen plaats aan een cafétafeltje en zodra ze begint te praten ontpopt de frêle Pakistaanse zich als een stevige gesprekspartner. Ze spreekt met passie, ze formuleert helder, is intelligent en heeft een onafhankelijke geest. Een gevreesde tegenstander van de 'kleingeestige mannen', zoals zij ze noemt, die namens de moslims het woord voeren in het integratiedebat.

En juist de inhoud van dat debat was voor haar aanleiding tot het schrijven van haar boek Een moslima ontsluiert. 'Ik herkende me niet in een discussie waarin alleen de verschillen worden benadrukt. Aan de ene kant heb je rigide moslims die geen enkele kritiek verdragen en niet over hun geloof wensen na te denken. En de media en de politiek aan de andere kant huldigen het standpunt dat alleen moslims die hun geloof de rug toegekeerd hebben verlicht genoeg zijn om serieus genomen te worden. De discussie is star en wordt uitsluitend langs religieuze lijn gevoerd. Je ziet overal dezelfde poppetjes die telkens weer hun voorspelbare uitspraken doen.'

Vaak wordt een parallel getrokken tussen haar en Ayaan Hirsi Ali, maar de verschillen zijn groter dan de overeenkomsten. Natuurlijk, beiden zijn moslimvrouwen, immigrant, welbespraakt en hebben een duidelijke mening. Maar waar Hirsi Ali graag uitdaagt, provoceert en op het scherp van de snede debatteert, zoekt Tahir liever de nuance.

'Ik kreeg genoeg van de ''iconologie'', van de etiketten die iedereen elkaar opplakt. Ik ben een mens, geen categorie. Het boek heb ik geschreven omdat ik de nuance wilde zoeken. Ik wil het sausje van de islam weghalen en zien wat er overblijft.'

Het boek bestaat uit twee delen. In het eerste deel vertelt ze haar persoonlijke verhaal. Hoe haar vader op uitnodiging van de Britse regering vanuit Pakistan naar Engeland kwam. Het racisme waar hij mee te maken kreeg. Hoe zij als tienjarig meisje verhuisde naar Etten Leur in Nederland en op haar veertiende opnieuw een cultuurschok kreeg, toen haar ouders besloten dat het beter was dat hun kinderen in Pakistan zouden opgroeien.

Het tweede deel van het boek bestaat uit essays, die gedeeltelijk eerder verschenen en waarin Tahir haar licht laat schijnen over zaken als de hoofddoek, vrouwelijke seksualiteit en gearrangeerde huwelijken. 'Mijn uitgever vroeg me een boek te schrijven nadat ik een aantal opinieartikelen had geschreven. Maar terwijl ik de onderwerpen analyseerde, kwam ik steeds weer bij mezelf terug. Daarom heb ik besloten er een persoonlijk boek van te maken. Want wie ik ben heeft invloed op wat ik denk.'

Strenge moslim

Ze uit felle kritiek op de moslimgemeenschap in Nederland, die zo slecht tegen kritiek kan en tegelijkertijd zegt ze dat ook wel te begrijpen. Ze verwijst naar Salman Rushdie, die zegt dat migranten hun verleden én hun land van herkomst idealiseren. Ze blijven steken in een gevoel van verlies en compenseren dat door in hun eigen gemeenschap de waarden en normen van het moederland te idealiseren. Dat ze het begrijpt wil nog niet zeggen dat ze het goedkeurt, maar Naema Tahir ging zelf ook een tijd als strenge moslim door het leven. 'Het was onderdeel van de zoektocht naar mijn identiteit. Als puber in Pakistan ben ik erg vroom geworden. Ik wilde het leger in en als martelaar sterven. Het was een state of mind. Het idee dat jij beter bent omdat je moslim bent, het feit dat je daarom in de hemel komt, daar doe je het allemaal voor. En als niemand je kritische vragen stelt, kan dat doorslaan in het extreme.'

De omslag kwam toen ze rechten ging studeren. 'Mijn vader vond het belangrijk dat ik verder leerde. Ik koos Leiden omdat het een beschermde omgeving was maar ook omdat ik dan op kamers zou moeten. Ik leidde er een cerebraal leven, maar woonde wel in een studentenhuis met meiden die vriendjes hadden en alcohol dronken. Ik had bijbaantjes, werd student-assistent. Ik ging meedoen in de Nederlandse samenleving en leerde daardoor andere manieren van leven kennen. Ik leerde dat als ik met iemand samenwerk, ik hem of haar recht in de ogen moet kijken, en soms een hand moet geven. Ik zag niet-moslims die desondanks gelukkig waren. Dat paste helemaal niet in mijn leefwereld. Langzaam realiseerde ik me dat moslims niet uitverkoren zijn en dat ik degene was die vast zat, terwijl mijn studiegenoten huppelend door het leven gingen. Ik zag dat er niet maar één waarheid is. Daar is de kiem gelegd van mijn zoektocht.'

'In die tijd heb ik mijn eigen leven veroverd. Mijn broers en zussen vinden me een saaie boekenwurm, maar tegelijkertijd ben ik de meest recalcitrante uit ons gezin. Mijn vader koos een verloofde voor mij in Pakistan en ik heb hem erg veel verdriet gedaan door die verloving te verbreken. Het betekende gezichtsverlies voor hem. Hij wilde dat we allemaal studeerden, en daarna met een goede Pakistani trouwden. Ik ben met een Nederlander getrouwd. Mijn vader gedoogt mijn huwelijk, maar accepteert het niet.

Mijn vader had me kunnen verstoten en dat heeft hij niet gedaan. Hij ziet dat ik gelukkig ben en dat respecteert hij. Ik ben onafhankelijk, ook financieel. Ik ben 34 en stevig geworteld in de Nederlandse samenleving. Hij heeft geen gezag meer over mij. Ik heb mijn eigen keuzes gemaakt.'

Door haar eigen zoektocht is Naema Tahir extra alert op religieuze leiders en groeperingen die zeggen namens een hele groep te spreken. Volgens haar vertroebelt het religieuze aspect het integratiedebat en verhindert het een goed zicht op de problemen waar het werkelijk om draait. De discussie moet niet over moslims gaan, maar over migranten.

'Er is een groot verschil tussen de situatie in Engeland en die in Nederland. In Engeland kwam de migratie in de jaren veertig, vijftig op gang. De overheid stelde duidelijke voorwaarden; immigranten moesten Engels spreken en een opleiding hebben genoten. In Nederland kwamen de migranten later en waren bovendien veel vaker laag opgeleide of zelfs analfabeet. Marokkanen en Turken hebben bovendien geen enkele relatie met Nederland of de Nederlandse taal. Kijk je naar Marokkanen en Tunesiërs in Frankrijk bijvoorbeeld, de voormalige kolonisator, dan zie je dat daar de intelligentsia naar toe trekt, de culturele elite. Het zijn mensen die de taal spreken en de cultuur begrijpen. Het integratiedebat wordt in Frankrijk dan ook op een heel ander niveau gevoerd.'

Om de discussie op een hoger niveau te brengen moeten we in Nederland beter kijken naar wat er speelt in het land van herkomst, vindt ze. De populariteit van de Turkse zanger Tarkan in Nederland, bijvoorbeeld, doet heel wat meer voor integratie dan welk debat dan ook. In haar boek oppert Naema Tahir de mogelijkheid van zelfontmaagding om aan te geven dat elke vrouw als enige zeggenschap heeft over haar eigen lichaam. Daar is in Nederland geschokt op gereageerd, terwijl een groep moderne moslima's onlangs in Istanbul voor iets vergelijkbaars demonstreerde.

'Duizenddingendoekje'

Migranten, zegt Tahir, vormen een groep met een heel eigen problematiek en leefwereld. Daar moeten we ons van bewust zijn als we een integratiedebat willen voeren. 'Migranten zijn hun wortels kwijt. Daardoor voelen ze een leemte. Hier horen ze er niet bij en hun thuisland is ver weg. Die leemte vullen ze met de islam en maken dat tot hun identiteit. Wie onzeker is vraagt om duidelijke regels. Moslims in Nederland kijken te veel naar tradities, terwijl je ook naar de moderne islam moet kijken. In Indonesië of Iran bijvoorbeeld, zijn moslima's veel hipper en zelfbewuster dan hier in Europa en Nederland.'

Dat geldt ook voor de hoofddoek, door Tahir spottend het 'duizenddingendoekje' genoemd. In Nederland en Frankrijk wijzen moslims in de discussie over het al dan niet dragen ervan naar de koran. Dat is te gemakkelijk, vindt Naema. 'Inderdaad ligt daar de oorsprong, maar die wordt steeds minder relevant. Moderne pubers dragen de doek al heel anders dan hun moeders. Ze vouwen ze op een andere manier, kiezen voor gewaagde kleuren, ze spelen ermee. Een hoofddoek heeft met seks te maken en met macht. Enerzijds laat de draagster zien dat ze gehoorzaamt aan de regels van haar gemeenschap, anderzijds gebruikt ze die veilige positie om te flirten. Als ik een hoofddoek draag verandert dat de proporties van mijn lichaam. Mijn figuur komt beter uit en mijn ogen lijken groter. Vrouwen weten dat, maar zeggen het niet hardop.

De hoofddoek kan heel emancipatorisch werken. Het dragen ervan geeft meisjes en vrouwen vrijheid en dat is goed. Wat ik niet goed vind is dat ze er niet over praten. Ze moeten vertellen wat ze voelen, wat ze denken en wat het met ze doet. Anders vervallen ze over een paar jaar weer in een automatisme. Dan dragen ze de hoofddoek ''omdat het zo hoort''.'

Uit eigen ervaring weet ze dat het dragen van een hoofddoek een gevoel van solidariteit geeft. ' Het is prettig om te merken dat je ergens bij hoort, maar zeg dat dan maar hardop. Ik was ooit met collega's op bezoek in een moskee. Ik droeg een hoofddoek en kreeg van de imam meteen een blik van herkenning. Hij zag mij als een zus en toonde respect. Maar iemand met knalrood haar knikt ook altijd even als ze iemand met dezelfde kleur tegenkomt. Motorrijders groeten elkaar ook. Waar het mij om gaat is dat je dat gevoel expliciteert en je er niet vanaf maakt door te zeggen: 'het staat in de koran' of 'het moet van de imam'. Als vrouw heb je zelf ook iets te zeggen over jouw gevoelens.'

En dat brengt haar bij de bepalende rol die de imams spelen in het integratiedebat. Het is haar een doorn in het oog dat zij in debatten en in de media altijd als woordvoerder voor een hele gemeenschap optreden. 'De imams moeten gemarginaliseerd worden. Zij zijn opgeleid om het gebed te leiden, niet debatten. De religie moet tot haar juiste proporties worden teruggebracht. Moslim zijn is geen kwaliteit, het is een keuze. Als dat besef eens doordringt, krijgen we hele andere discussies, met andere deelnemers en hopelijk een bevredigender uitkomst. Ik wil het maatschappelijke debat ook met vertegenwoordigers van andere religies voeren. Ik mis er diversiteit, de nieuwsgierigheid.'

Naema Tahir heeft haar boek opgedragen aan Arfana, haar zeven jaar jongere zusje. Eerst wuift ze mijn vraag weg: 'Ik vind het gewoon een mooie naam', maar gaat dan serieuzer in op de vraag waarom ze haar zo expliciet noemt. 'Voor mij is zij een exponent van de nieuwe generatie, waar ik erg in geloof. Zij is een bewuste jonge vrouw. Het positieve gevolg van het moslim bashen is dat haar generatie is gaan nadenken over wie ze is en waar ze staat. Ik wil meer introspectie onder moslims, bij haar zie ik dat gebeuren. Ik hoop dat bij deze generatie de islam deel wordt van een veel bredere identiteit. Dat ze zich ook concentreert op andere aspecten van het bestaan. Ze moeten zich realiseren dat de islam een religie is, niet de hele wereld.'