Gefluisterde verhalen

 

 

 

The plan, it wasn't much of a plan
I just started walking

(dEUS)

 

            Berlijn is een stad vol verhalen, maar ze schreeuwen niet om je aandacht. Ze verbergen zich achter dichtgetimmerde ramen, verbleekte graffiti en vergeten reclame. De stad is een souffleur en wie haar horen wil moet langzaam lopen. Ze fluistert haar geschiedenissen en je mag naar ze luisteren of niet, kijken of niet. Je mag ze alleen lezen maar meeschrijven mag ook. Op zichzelf vormen ze geen vaststaande geschiedenissen. Wat je op straat tegenkomt zijn zelden complete verhalen. Meestal tref je fragmenten aan, puzzelstukjes die je opraapt om ze later op je eigen manier, in je eigen context, opnieuw te ordenen.

Op een koude Berlijnse winterochtend zat ik in de ARD Hauptstadstudio en schonk mineraalwater uit in een glas. Het bruiste en sprankelde luidruchtig in kleine belletjes die als ze eindelijk tot rust zijn gekomen de tekst op het raam weerspiegelen: ‘Omdat ik hier, op deze plaats iets wil zeggen [meer dan zomaar iets, meer dan een beetje, maar niet meer dan dat, een beetje en dan nog iets erbij. Niet veel meer, een klein beetje meer dan dat maar niet zomaar] en ik wend me tot jou.’

Ik weet niet waarom juist deze tekst daar staat. Het is die geheimzinnigheid die de opwinding veroorzaakt die ik in Berlijn vaak heb gevoeld. Ik hoor iets, of lees iets en begrijp het maar half. Ik moet op zoek naar meer, meer woorden, meer context en dus meer van de stad. Vaak begint het met niet meer dan een of twee letters. Soms met een paar woorden of een flard van een verhaal. Door combineren en fantaseren plakt ik ze aan elkaar waardoor er een nieuw verhaal ontstaat.

 

Op een zaterdagochtend slenter ik onder een waterig winterzonnetje over de weekmarkt op het Kate Kolwitzplatz in Berlijns hipste wijk, Prenzlauerberg. Tussen de biologische sinaasappels en luide stemmen die worst met champagne aanprijzen, valt me een bescheiden stalletje op waar alleen maar foto’s verkocht worden. Foto’s van de stad. Ik blijf staan en probeer de plekken te herkennen waar ze gemaakt zijn. Ik betrap mezelf erop dat ik op zoek ben naar herkenning. Ik wil bevestiging dat ik de stad in mijn vingers begin te krijgen, dat ik haar begin te begrijpen. Blijkbaar heb ik een bepaalde mate van vertrouwdheid nodig om me thuis te kunnen voelen.

Het is een tegenstrijdigheid die elke reiziger kent. De opwinding van het onbekende en tegelijkertijd het verlangen naar herkenning en vertrouwdheid. Straathoeken, metrostations, grote gebouwen, alles kan een aanknopingspunt zijn, letterlijk een houvast waar je je als een kind dat net leert lopen aan vastklampt, je evenwicht zoekt tot je stevig genoeg staat om na te kunnen denken over de volgende stap. Maar je bent altijd te langzaam. De stad stormt op je af terwijl je nog bezig bent je positie te bepalen. Dat brengt onzekerheid met zich mee. Daarom zie je toeristen zo vaak met elkaar ruziën. Die onzekerheid heeft ook een keerzijde en bij mij is dat ontvankelijkheid. Een stad is in staat me op het verkeerde been te zetten, op een manier waarop mij dat thuis niet meer overkomt.

Dat gebeurt op het moment dat ik op een van de foto’s die grote woorden zie staan: ‘Verweile doch’. Ze grijpen me bij de keel. Niet omdat ik die woorden herken, maar omdat ik er iets in hoor. Een gefluisterde mededeling die ik van hier uit nauwelijks kan verstaan. Daar moet ik naar toe. Ik duw me tussen de andere geïnteresseerden en de dralers die maar wat staan te praten door, en bestudeer van dichtbij de details op de foto. Het lukt me uiteindelijk om op de achtergrond van die grote letters, twee gebouwen te onderscheiden: één waar ‘Deutsches Theater’ op staat, en één met ‘Kammerspiele’. Ik heb geen pen bij me. Als ik naar huis loop scandeer ik die woorden bij elke stap: Deutsch-es. The-ater. Ka-mmer. Spie-le.

’s Avonds buig ik mij over de kaart en stippel een route uit met als eindpunt een klein, onooglijk pleintje dat zich, zo zal de volgende ochtend blijken, maar moeilijk laat vinden. Ik zoek en ik dwaal en verdwaal tot ik een hoek omsla en opeens voor ze sta.

Het Deutsches Theater en de Kammerspiele zijn twee classicistische maar desondanks bescheiden gebouwen. Ze hebben samen een pleintje voor de deur en midden op dat kleine stukje leegte staan twaalf letters op een hoge stellage. Zeker vijf meter hoog en twintig meter breed schreeuwen ze me toe: Verweile Doch. Ik kan er niet om heen. Ze zijn bruin, als verroest, waardoor het lijkt alsof ze hier al eeuwen staan en eeuwig zullen blijven. Net als die twee theaters, zie ik, die zich in alle bescheidenheid op de achtergrond houden. Ze zien eruit alsof het nog steeds de zeventiende eeuw is en stralen alsof ze net zijn opgeleverd.

De grote woorden komen uit Faust, leer ik later, het meesterwerk van Goethe: ‚Verweile Doch. Du Bist so schön’ zegt Faust vlak nadat zijn liefste wens in vervulling is gegaan en hij, in ruil voor zijn ziel die hij aan de duivel heeft verkocht, een moment van intens geluk beleeft.

Eenmaal op het pleintje aangekomen, hoor ik duidelijk wat de woorden me te zeggen hadden: Verweile, vertraag, blijf en luister. Ik zie daarin een aanwijzing, een vermaning misschien zelfs, om de stad niet te snel in mijn vingers te willen krijgen. Maar vooral leren ze me iets over de manier waarop ik kijk. Ik kijk naar een stad aan de hand van de woorden. Je zou kunnen zeggen dat ik de stad probeer te lezen.

 

Woorden die zo onverwacht opduiken zien er kwetsbaar uit, maar vergis je niet. Ze spreken zonder dat hen iets wordt gevraagd. Ze hebben iets te zeggen en dat doen ze ook, of er nu iemand luistert of niet. Op een blinde muur bij mij in de straat, is een hand geschilderd die naar beneden wijst. ‘Hier zu haben’ staat er, maar er is niets. Niet meer. De verf bladdert al jaren langzaam maar zeker af, in een hoekje zijn grauwe herfstbladeren bij elkaar gekropen en felgekleurde snoeppapiertjes dansen spottend om hen heen. De tekst is betekenisloos geworden. Maar wie goed luistert hoort wat de woorden willen zeggen. Vroeger kon je hier briketten kopen. Dat is duidelijk. Maar waarom nu niet meer? Wat is er gebeurd? Op het moment dat ik me die vragen ga stellen is die muur niet langer een blinde muur. Er is een verhaal op te projecteren. Ik kijk, ik luister, ik denk. Daarna ziet de wereld er net even anders uit.

Tijdens die wandelingen ben ik vaak letterlijk van letter naar letter en van woord naar woord gesprongen. Neem nou het plein achter de Kulturbrauerei, loop daar eens overheen als de zon op een zomerse dag de klinkers heeft gaar gestoofd. Daar staan vijf verroeste stukken staal die samen het woord Liebe vormen. Het lukt je niet om daar ooit nog onverschillig langs te lopen. Steeds vaker zul je een omweg nemen, gewoon om dat woord even te voelen.

Ik zwierf rond achter Berlijns beroemdste kraakpand Tacheles, ooit een ‘shopping mall’ avant la lettre en een naaiatelier en sinds mensenheugenis eigendom van rijke Joden die al weg waren toen het gebombardeerd werd. De opgeruimde communisten die streefden naar een schone wereld wilden het opblazen, wegpoetsen. Gelukkig was er geen geld en gelukkig was er veel tegenzin. Tot zover de werkelijkheid.

Nu wonen en werken er anarchisten die kunst maken en van de achtertuin een openlucht werkplaats hebben gemaakt. Ook hier zag ik her en der verspreid losse letters liggen tussen de stapels hout, een ingezakte caravan, afgebroken steigers en verroeste verfblikken. Ik zag twee keer een S, een N en een E. Ik zag geen kant en klare woorden, wel mogelijkheden.

 

De beste manier om een stad te leren kennen is door eenvoudigweg maar te gaan lopen, zei Franz Hessel. Deze tijdgenoot en vriend van Walter Benjamin is de  ‘uitvinder’ van het literaire flaneren. Door een stad lopen doe je niet doelloos maar met een plan, stelde hij in ´Spazieren in Berlin, dat hij in 1929 schreef, op voorwaarde dat je bereid bent dat te allen tijde los te laten als daar een goede aanleiding voor is. Niet zomaar een straat inlopen, maar wel toegeven aan de verleiding van een bijzonder gebouw, een verbleekt affiche, een kier tussen kranten waarmee een caféraam is dichtgeplakt.

Ik wil nog een stap verder gaan. Flaneren is niet alleen lezen, het is ook een manier van schrijven. De wandelaar, de schrijver gaat op pad. Je loopt, je luistert, je leest en alles wat je vindt, alle tekens bij elkaar vormen uiteindelijk een nieuw verhaal.

            De stad als metafoor voor tekst is bepaald geen origineel idee. Victor Hugo bijvoorbeeld, beschrijft in ´De klokkenluider van de Notre Dame´ Parijs als een boek van steen, geschreven in een heel eigen taal. In ´City of Glass´ werkt Paul Auster dezelfde metafoor tot in detail uit. Zijn hoofdpersoon Daniel Quinn geeft zich uit als privédetective en schaduwt wekenlang een man die iedere dag een schijnbaar willekeurige route door de stad loopt. Als flaneurs lopen ze schijnbaar willekeurig door de stad, maar zo willekeurig is het niet. Als Quinn ’s avonds de route van de afgelopen dag natekent op de stadsplattegrond, ontdekt hij dat ze elke dag een letter lopen. Een O op de eerste dag van zijn ontdekking, een R op de tweede en de derde dag is onmiskenbaar een E. Paul Auster maakt hier van het flaneren letterlijk een lezen én schrijven van de stad. Uiteindelijk blijkt dat ze de zin ‘De Toren van Babel’ hebben gewandeld, bij uitstek het symbool waarin alle talen ter wereld samenkomen.

 

 

Ik kwam vele woorden tegen. De meesten zwegen, sommige gaven me nuttige informatie, andere verstond ik niet en er waren woorden die iets bij me wakker maakten. Kauf dich Glücklich, bijvoorbeeld, was de naam van een café die in een vrolijk ratjetoe van bonte blokletters boven de ingang was geplakt. Een paar centimeter hoger zaten nog kogelgaten in de gevel. Zij vertelden een ander verhaal, dat niets met geluk te maken had, maar dat was nog maar moeilijk te verstaan boven die schreeuwerige blokletters.

Ergens anders kwam ik een im- en exporthandeltje tegen dat Doppelglück heette en zag dat je koffie kon drinken in Glück am Park. Ik glimlachte om zoveel toeval en optimisme maar dat verdween toen ik Suche dein Glück tegenkwam. Ook hier een vrolijk gekleurde lichtbak, met kronkelende fantasieletters op een felblauwe achtergrond, maar het licht erin brandde niet. Er was geen spoor van onbezorgde mensen en ochtendkoffie. Toen ik beter keek zag ik dat een deel van de lichtbak was afgebroken en dat die ooit Versuche dein Glück uitgestraald moet hebben. Het was een gokhal, geweest en nu was die failliet. De straat lag er huilerig bij, somber en nat. Ik zag voor me hoe twee Turkse broers hier hun geluk geprobeerd hebben. Ze leenden geld bij een oom zonder kinderen die wat had kunnen sparen, en begonnen een gokhal. Waar kon je op wedden? Paarden? Voetbalwedstrijden? De kleur van de jurk van de nieuwe presidentsvrouw? In elk geval hadden zij geen geluk, die twee Turkse broers. Wat heeft ze bezield om in deze straat, in deze buurt mensen te verleiden en waarom is het niet gelukt? Opeens klinkt gelukt als de verleden tijd van geluk.

Over geluk gesproken. Wie zoveel geluk tegenkomt, stuit onvermijdelijk ook op het tegendeel. Op de aluminium brugleuning staat met viltstift Ich vermisse dich trotzdem geschreven. Bij dat kille materiaal verwacht je geen emotionele ontboezeming en toch staat het daar opeens.

Een paar passen terug stond op diezelfde brugleuning met dikke letters geschreven: laat me toch met rust. Heeft zich hier een zwijgende ruzie afgespeeld? Twee mensen die nog niet zo lang geleden gezworen hebben nooit meer een woord met elkaar te wisselen komen elkaar op een verloren zondagmiddag in het park tegen. Beide zijn alleen, beide zijn gaan wandelen om te vergeten. De laatste die ze tegen willen komen is die ander, de enige aan wie ze denken is die ene. Dus schrikken ze, maar blijven toch even staan. Ze zeggen niets. Als hij om haar heen blijft dralen pakt ze de viltstift die ze gisteren per ongeluk in haar jaszak heeft laten zitten en schrijft die woorden op: Lass mich einfach allein. Hij grist de stift uit haar hand, loopt een paar passen verder en schrijft op wat hij voelt. Ik mis je. Ondanks alles.

Soms komen woorden zo dichtbij dat ik er ongemakkelijk van word, maar tegelijkertijd voel ik weer die opwinding. De hele stad resoneert van de mensen en hun verhalen. Geen grote avonturen, maar kleine geschiedenissen. Simple Story’s. Je leest wat je wilt. Je hoort alleen wat je wilt horen.

 

Lopend langs een solide houten schutting ontdek ik een gammel deurtje dat op een kier staat. Voorzichtig duw ik het verder open. Dat gaat moeizaam omdat erachter het gras hoog opgeschoten is. Ik hoor de scharnieren achter me piepend terugveren en sta dan in een binnentuin met de afmetingen van een bescheiden weiland. Tussen het onkruid liggen glasscherven. In een hoek is achteloos een oude deken neergegooid en ik zie de zwarte resten van een vuur dat over enkele vierkante meters het gras weggevreten heeft. Welk leven zich ongezien achter deze muur afspeelt laat zich raden. Tientallen meters verderop zie ik de balkons van een massieve huurkazerne. Rechts, veel dichterbij, staat een hoge boom, kaal nog. Tussen de takken door kijk ik omhoog naar een blinde muur die voor de helft inktzwart is geschilderd. Daarop staat in die Duitse, gotische sierletters een simpele tekst: ‘Es ist nur eine Frage der Zeit’.

            In de ramsj van een boekwinkel die zich ‘Berlin Story’ noemt, vind ik een klein fotoboek met de titel ‘New York – Berlin’, waarin Andreas Seedorff al fotograferend beide steden met elkaar vergelijkt. Niet door plaatjes van het Vrijheidsbeeld naast die van de Brandenburger Tor te zetten, maar door juist de onooglijke, vergeten hoekjes in beeld te brengen. Hij deed dat in 2002 en nog voor het boek gedrukt werd moest hij naast de meeste Berlijnse foto’s de woorden ‘verschwunden’ of ‘überstrichen’ schrijven. Zo snel verdwijnt de stad.  

In het nawoord over de esthetiek van een metropool staat dat in Berlijn, dat op het punt staat opnieuw een wereldstad te worden, juist in de kleine hoekjes het leven stokt. Resten van de geschiedenis hinderen de dynamische stroom vernieuwingen. Bijvoorbeeld de leegte van de ‘Todesstreifen’ het stuk niemandsland waar ooit de Muur stond. Berlijn negeert dat deel van haar geschiedenis nog, wil er niets van weten. Pas nu, bijna twintig jaar later, wordt er gediscussieerd over de vraag of er misschien een herdenkingsteken moet komen, een route voor toeristen die altijd als eerste die ene vraag stellen: ‘Waar was de Muur?’ en even vaak blijven Berlijners het antwoord schuldig. Maar wie goed oplet vindt de sporen makkelijk terug. Het zijn de braakliggende delen in de stad, waar bijna niemand zich waagt.

Ook ik ben er wekenlang langs gelopen zonder het te zien. Toen ik op een zondagmiddag mijn voordeur uitstapte, overstak en me nog even omdraaide, zag ik dat de twee huizenrijen die samen mijn straat vormden, niet op de hoek begonnen, maar een flink stuk verderop. Tussen het laatste huis en de weg lag een groot stuk braakliggend terrein. Toen pas drong tot me door wat dat betekende. Todesstreifen heette dat gebied tussen de muur en de rest van de wereld. Een jongen in een toren hield er de wacht, met de opdracht te schieten op alles wat bewoog.

Henri Cartier Bresson stond hier ook, op dezelfde hoek, op bijna dezelfde plek. Hij zag hoe drie mannen op een transformatorhuisje klommen en met hun handen in de zakken toekeken hoe andere mannen een muur metselden die hen voorgoed de toegang tot mijn straat zou ontzeggen. Een eeuwigheid die uiteindelijk 28 jaar zou duren, maar dat maakt het niet minder lang. De wereld werd voor hun neus tot staan gebracht en Bresson legde dat moment vast.

Niet lang na die zondagmiddag zag ik een filmpje, waarin een 77-jarige vrouw op een brede vensterbank balanceert. Onder haar staan stoere brandweermannen met een zeil te wachten om haar op te vangen, maar ze aarzelt. Ze heeft haar hele leven in dat huis gewoond, zij weet hoe hoog het is. Voorzichtig steekt ze een been uit, alsof ze eerst wil voelen hoe koud het water is. Haar schoen glijdt van haar voet, die ze snel weer terug trekt. Een stoere brandweerman steekt zijn armen naar haar uit. De vrouw zakt nog iets verder door haar knieën. Dan verschijnt er een hand in het raam boven haar en grijpt haar arm vast. Even is ze zo het ultieme symbool voor de verdeelde stad: Blijf hier! Nee, kom bij ons! Hier is gelijkheid! Maar wij hebben vrijheid!

Maar zij heeft haar keuze al gemaakt, anders was ze nooit op de vensterbank geklommen. Ze trekt haar arm los en springt opeens gedecideerd langs de brandweerman naar beneden. Zo koud was het water nu ook weer niet.

Toen alle mensen weg waren, werden de ramen van de huizen pal achter die muur een voor een dicht gemetseld. Er zijn foto’s van vrouwen die uit hun raam leunen – waar komt toch die vaardigheid van vrouwen vandaan om tegelijkertijd lomp en stijlvol over een vensterbank te hangen? – terwijl die grote vensters naast hen, boven en onder hen blind waren gemaakt. Het waren gewonde huizen, met dichtgeslagen ogen die heel langzaam werden vermoord.

Onder dwang werden de bewoners hun huizen uitgezet. Ook daar zijn foto’s van gemaakt, door fotografen op huishoudtrappetjes. Aan de andere kant stonden jongens hen in opdracht van het ‘Ministerium für Staatssichterheit’ met spiegels te verblinden. Toen de muur zijn definitieve vorm had gekregen, zijn al die gewonde huizen gesloopt.

Ik kijk naar mijn straat en realiseer me dat het hoekhuis dat ik zie niet hetzelfde is als op de foto die Henri Cartier Bresson destijds maakte. Daarop zijn erkers te zien, maar niet alleen die zijn verdwenen, het hele pand is weg, net als het huis daarnaast en het huis daarnaast, zodat de zijmuur van het vierde huis er opeens heel bloot bij kwam te liggen.

Het meest bizar is natuurlijk het feit dat het terrein nu, ruim zestien jaar nadat de muur is verdwenen, nog steeds braak ligt. Het is leeg en nutteloos, zo zonder muur en zonder wachtposten. Zonder grens. Geen mens noemt het nog ‘Todesstreifen’ en toch lijkt niemand zich op dit stuk grond te willen wagen.

            Andreas Seedorff gaf zijn boek de ondertitel ‘Die Spur der Schrift’ mee. Toen ik die woorden ging googelen kwam ik bij een site die Tender Feelings heet. Dat was niet helemaal wat ik zocht, maar eigenlijk was het een goede beschrijving van het gevoel dat ik had. Al die herkenning is te vergelijken met verliefdheid. Een stad waarin je zoveel kunt lezen, daar ga je vanzelf van houden. En net als een nieuwe liefde overvalt de stad je op onverwachte momenten. Zoals Verweile Doch op dat kleine pleintje pontificaal in mijn gezicht sprong en ik het gevoel kreeg dat de letters daar uitsluitend en alleen voor mij waren neergezet. We verstonden elkaar. Er groeide een verstandhouding.

 

 

De flaneur is in de denkwereld van Franz Hessel en Walter Benjamin bij uitstek degene die een object dat iedereen denkt te kennen uit zijn bekende omgeving kan halen en er zo iets heel nieuws van kan maken. Bijvoorbeeld door middel van fotografie. Benjamin was gefascineerd door fotografie. Wie door een stad loopt, zo meent hij, ziet niet alleen maar ‘dingen’. Het beeld van iets wordt bepaald door hoe het eruit ziet, maar ook door de omgeving waarin het staat, persoonlijke en collectieve herinneringen van de kijker, en de geschiedenis. Wie een foto maakt haalt die hele context weg, maar geeft de afbeelding er een eigen karakter voor in de plaats. Een huis wordt losgeweekt uit de straat en zijn bewoners en terug gebracht tot een stapel stenen. Een kapot gewaaide paraplu wordt een stuk verbogen staal. Iemand moet het die geroofde identiteit terug geven, of vervangen door een andere. Daar is aandacht voor nodig, en fantasie.

            Plekken die je niet kent, gebouwen die je voor het eerst ziet zijn te vergelijken met foto’s. Ze bieden een eendimensionale werkelijkheid en laten je alle ruimte om die verder in te vullen. Gebouwen die vervallen zijn, oud en verlaten, vertellen over hoe het ooit was, wie hier woonden en hoe het ze is vergaan. Juist op die vergeten plekken waar de schoonheid van het verval zich laat betrappen, laat de stad haar ware gezicht zien.

In de Auguststraße zijn nog veel van die flarden op te vangen voor wie wil. Zo staat er al sinds mensenheugenis een schoolgebouw. Tegenwoordig staat het bekend als de oude Joodse meisjesschool, maar laat je niet foppen door de officiële verhalen. Er is nog veel meer geschiedenis waar Berlijn liever niet hardop over praat, maar die wel bestaat.

Vroeger, ja vroeger en dat is echt lang geleden, was dit gebouw een school waar rijke Joodse meisjes privé-onderricht kregen. Na de oorlog bleef het gebouw als school bestaan, tot tien jaar geleden. Daarna kwam het leeg te staan. De conciërge draaide de voordeur op slot en sindsdien stond het schoolgebouw onopvallend en stilletjes aan die smalle Auguststraße.

Toen kwamen er drie luidruchtige kunstenaars uit New York die op zoek gingen naar expositieruimtes. Ze vonden de sleutel en namen bezit van de ruimtes die in al die jaren niet waren veranderd en noemden het ‘die ehemalige Jüdische Mädchenschule’. Wie er nu rondloopt waant zich eerder in een jongens- dan een meisjesschool. De graffiti op de muren gaat over voetbal en vrouwen en vele schetsjes, uit de losse hand gemaakt ter hoogte van de schoolbank, laten weinig misverstand bestaan over waar jongens over fantaseren.

Voor wie het lang geleden is dat hij verlicht in de schoolbanken zat, is het een genot te wandelen door deze klaslokalen, waar het nog muf naar vroeger ruikt, over het vuilgele marmoleum te lopen, haar vingers over de bakelieten schakelaars te laten gaan en met een mengeling van weemoed en afschuw het bruine behang te bekijken dat hier en daar in losse banen aan de muren hangt. De mededelingenborden in de hal, met verbleekte aankondigingen van uitstapjes en proefwerken, doen vertrouwd aan. Als ik uit de gymzaal kom en de lange, lange gang inloop die naar de uitgang leidt, tuur ik door een van de hoge ramen die uitkijken op de binnenplaats. Ik leg mijn handen straks langs mijn gezicht om het warme binnenlicht buiten te houden, en lees daar een lange tekst op de muren: Mit der Jugend der Welt für Frieden, Freiheit und Fortschritt.

Wacht eens even.

Het vertrouwde leidt nergens toe. Ook Deze school heeft veel meer geschiedenis dan de Berlijners willen weten. Tot 1996 was dit de Bertolt Brecht Schule voor sociaal-democratisch en technisch onderwijs. Er liepen dus hoofdzakelijk jongens rond. Als ik naar beneden loop herken ik de kop van Lenin op een muurschildering. Hij wijst enthousiast naar voren, zich verheugend op een hoopvolle toekomst die socialisme heet. Iets verderop prijkt Bertolt Brecht zelf pontificaal in het trappenhuis. Hij ziet er uit als een aardige man, hij zou een populaire leraar geweest zijn. Op de vierde verdieping staat boven een oud prikbord in de gang de letters Pionierfreundschaft.

Dat is ook Duitse geschiedenis en veel recenter dan de tijd dat in het gebouw privéonderwijs werd gegeven aan Joodse meisjes. Waarom heet het niet ‘de voormalige Bertolt Brecht Schule, want dat is het toch ook? Dat is het in de eerste plaats. Als je geschiedenis beschouwt als het terugkijken vanuit het heden, dan is het vroegste verleden het eerste wat je tegenkomt en tegelijk het ongemakkelijkste. Liever kijken we naar gebeurtenissen die verder weg liggen. Dat voelt al snel als de goede oude tijd.

De school is een aantal maanden lang decor voor de Berlin Biennale voor moderne beeldende kunst. De lokalen met hun afbladderende muren, met voorin een voethoog podium waarop nog een enkele leraarstafel stond, werden in beslag genomen door 21e -eeuws kunstenaars. Ze lieten veel klein, individueel, naar binnen gericht werk zien dat niet zoveel indruk op mij maakte. Ze stelden geen vragen, ze hadden geen zin hun wereld te delen met mensen die ze niet kenden. Dat lag anders bij de jongen die jaren daarvoor op de kozijnen had geschreven dat hij voor Hertha BSC was en dat Sankt Pauli de kolere kon krijgen.

            Tadeusz Kantor was een van de weinigen die de betekenis leek te begrijpen van de omgeving waarin hij exposeerde. Die Tote Klasse heet zijn werk. Midden in een verder leeg lokaal staat één houten schoolbank en daarin zit een jongetje. Hij kan niet met zijn voeten bij de grond, zijn handen rusten op zijn bovenbenen en zijn bovenlichaam buigt zich licht voorover naar zijn boek. Het lijkt wel of het zijn eerste schooldag is, zo onwennig zit hij daar.

Maar Kantor is al jaren dood. Die Tote Klasse is van 1975 dus mijn veronderstelling dat er tenminste één kunstenaar is die de context begrepen heeft, kan de prullenbak in. Het is toeval. Een toeval dat bij mij iets op gang brengt, want Die Tote Klasse roept onmiddellijk associaties op met Joodse kinderen die hier nog langer geleden hun dagelijks leven doorbrachten en nooit meer terugkomen. Maar ook die Hertha BSC fan is verdwenen. Ooit was hij lid van de Freie Deutsche Jugend en geloofde dat hij in het beste van de twee Duitslanden woonde. Leeft hij nog? Gelooft hij nog ergens in?

 

 

De stad spreekt in gebarentaal, zegt Seedorff. Het zijn de verstopte sporen van het verleden waar de blik aan blijft hangen en die haar tot verwijlen dwingen. Mijn blik is in Berlijn vaak blijven hangen, aan kapotte lichtreclames boven leegstaande panden bijvoorbeeld, zoals van ‘Café im Grenzbereich’ dat in dezelfde straat ligt als ‘Suche dein Glück’, in een wijk die al lang geen grensgebied meer is en het café bleek geen café meer te zijn. Maar wat was het dan wel? De deur was op slot, binnen werd geen bier meer getapt, maar de gele markiezen waren neergelaten en hangen, hoe lang al, zinloos boven het trottoir. Niemand heeft de moeite genomen ze op te draaien en nu hangen ze daar te vergaan. Een vergeten plek die even bestaat omdat ik erbij stilsta.

Muren en teksten blijven opdoemen. Tegenover Tacheles is een blinde muur van zeker zestig vierkante meter volgekalkt met viezigheid in mooie letters. Ze stoten me af maar schreeuwen zo hard dat ik ze niet kan negeren. Er moet iets voor me bij zijn, maar ik hoor het niet. De tekst kan me niet boeien. Behalve misschien die laatste regel: ‘Destroy sacred Words’. Desondanks blijf ik kijken, voel hoe de opwinding bezit van me neemt. Ik ben ergens naar op zoek. Naar een boodschap, een teken, een verhaal, iets wat met mij te maken heeft en me tussen de regels door iets duidelijk wil maken. Ik maak foto op foto op foto maar ook als ik die later op mijn laptop aan me voorbij laat trekken zie ik niets. Het lot van degene die te graag iets wil vinden is dat ze met lege handen achterblijft.

 

 

Moet de omgeving zo onbekend zijn om zo te kunnen kijken als ik in Berlijn deed? Heb je een tabula rasa, een blanco papier, nodig om je eigen verhaal te kunnen schrijven? Ik besluit de proef op de som te nemen in de eerste week dat ik terug ben in Amsterdam.

In deze stad woon ik al meer dan twintig jaar. Aan vele plekken kleven herinneringen, anekdotes, geschiedenissen. Mijn eigen stad heb ik ingevuld maar, zo merk ik, nooit volledig. Een stad is niet statisch, net zomin als haar bewoners en het gaat hoe dan ook om de blik waarmee ze bekeken wordt. Die moet aandachtig zijn, en open.

Dus wandel ik langs de grachten, herken straathoeken en gebouwen, ik maak foto’s en lees de teksten die ook hier overal opdoemen. Veel komt me bekend voor, dus moet ik nog beter kijken. Over de meeste mededelingen heb ik een mening of voorkennis, dus moet ik nog een keer kijken. Tussen de regels door ontdek ik toch nog nieuwe dingen.

Ik kende bijvoorbeeld de tags van Laser 3.14. Dat wil zeggen; ik ken zijn handschrift en herken het onmiddellijk. Hij praat op (of tegen?) houten schuttingen, dichtgetimmerde ramen, bouwketen en leegstaande huizen. Door deze context te kiezen krijgen zijn boodschappen een extra betekenis. De gebroken fiets en de inderhaast scheef geparkeerde auto naast ‘Red moon on the rise’ geeft de tekst een schoonheid die het anders niet gehad zou hebben. De omgeving geeft de woorden een tijdelijk karakter en dat maakt ze urgent: lees me, nu! Morgen kan ik verdwenen zijn.

Achter Laser 3.14 gaat een jongen schuil die nadenkt over zijn teksten. Hij schrijft geen kreten, geen makkelijke meningen op, maar doet zijn best iets zinnigs te zeggen en de lezer aan het denken te zetten. Dat leidt tot lange teksten waar een haastige fietser voorbij is voor hij de regels heeft kunnen lezen. Maar voor een langzame blik zijn ze lang genoeg.

Naast een houten schot waarachter een pand grondig wordt gerenoveerd, zegt een geel gemeentebordje: Voetgangers oversteken. Ernaast staat in de bekende sierlijke paarse letters:

 

In your head a room full of mirrors.

 

Die zin katapulteert me onmiddellijk terug naar Berlijn. Deze zin gaat over de Spiegelzaal in Clärchens Ballhaus waar mijn adem stokte. Het is een ruimte vol geschiedenis, maar op het eerste gezicht niet meer dan een oude zaal waar de spiegels verweerd en gebarsten zijn, de stoelen oud en doorgezakt en waar bijna een eeuw lang vele stemmen moeten hebben geklonken. Het was er doodstil toen ik er de eerste keer binnenging.

Er ligt een liefdespaar op de grond. Ze kussen elkaar, steeds opnieuw, strelen elkaar met langzame bewegingen, strengelen zich om elkaar heen, traag, langzaam, genietend. Soms zegt de man iets, soms de vrouw, telkens dezelfde woorden: ‘Tino Sehgal, Kiss, 2002’ en dan de naam van een galerie. De balzaal is uit zijn ledigheid gehaald en hier tot locatie voor een performance gemaakt. Elke context is losgelaten, het enige ware verhaal is losgelaten, waardoor er ruimte is ontstaan voor nieuwe. Dit is er een van.

Ik kan niet zeggen dat er in Berlijn meer verhalen rondzweven dan in Amsterdam. Ik weet alleen dat ze bij mij makkelijker binnenkomen. Omdat er meer geschiedenis is, omdat er meer onuitgesproken is? Of omdat ik er blanco kan rondkijken, omdat ik in deze stad zelf geen enkele rol speel. Ik ben beschouwer, ik heb geen mening, ik speel geen rol. Ik ben alleen maar de schrijver.

 

 

In ‘De onzichtbare steden’ van Italo Calvino vertelt Marco Polo elke avond over zijn reizen aan de grote keizer Kublai Kan. Vijfenvijftig steden passeren de revue maar Kan ontdekt dat Polo de steden verzint. Ze bestaan niet echt. En toch, schrijft Calvino, luistert de keizer met meer nieuwsgierigheid en aandacht naar de jonge Venetiaan, dan naar enige andere bode of kenner.

Het gaat er niet om wat je vertelt, maar hoe je het vertelt. Verhalen zijn van levensbelang, soms letterlijk, zoals voor Scheherazade uit 1001 Nacht, soms figuurlijk, zoals voor Marco Polo die zijn geheugen en zijn fantasie trainde door elke avond een andere stad te verzinnen en die zo boeiend mogelijk voor de keizer te schetsen. Het duurt lang voor Kublai Kan begint te twijfelen aan de waarheid van Polo’s verhalen, maar hij realiseert zich dan dat dat er weinig toe doet.

            Er zijn ook andere verhalen te vertellen over de Spiegelzaal. Op 13 september 1913 opende Fritz Bühler in een achterhuis aan de Auguststraße ‘Bühlers Ballhaus’. Nadat hij was omgekomen in de eerste Wereldoorlog nam zijn weduwe Clara de zaak over en werd het bekend als Clärchens Ballhaus. Er gaan geruchten dat keizer Wilhelm II’s butler het huis heeft laten bouwen voor zijn meester, maar dat is maar een van de legendes die de ronde doen over het huis, zijn inwoners en eigenaren.

Tot de jaren veertig waren er twee danszalen. In de grote hal beneden werden de populaire liedjes voor het volk gespeeld en in de kelder was een houten bowlingbaan. Gewone mensen als Franz Biberkopf, de hoofdpersoon uit Berlin Alexanderplatz, kwam er dansen terwijl boven hun hoofd, in de Spiegelzaal, de aristocratie uit de Spandauer Vorstad de gepaste ambiance vond voor hun ontspanning.

Sinds de bombardementen van de Tweede Wereldoorlog het voorhuis wegsloegen, heeft het Balhuis een diepe voortuin en grenst het aan de straat. In de gevel zijn nog duidelijk deuren te zien die nu open gaan naar het niets. Wie zijn daar het laatst doorgegaan? Wie zochten ze? Wat dachten ze? Waren ze dronken? Eenzaam, verliefd? Wanhopig of oorlogszuchtig?

In augustus 1944 verbood Josef Goebbels alle openbare gebeurtenissen die niets met de oorlog te maken hadden, maar de begane grond bleef open voor breibijeenkomsten en theekransjes. Het gerucht gaat dat de Spiegelzaal in gebruik bleef als casino voor officieren, maar er is niemand die dat nog wil navertellen.

In de grijze dagen van het communisme werd de bowlingbaan gebruikt als kolenopslagplaats en werd de Spiegelzaal gesloten. Tot 2005. De eerste bezoekers sinds jaren die het verweerde parket weer hoorden kraken onder hun voeten keken niet alleen hun ogen uit, ze bekeken ook zichzelf in de spiegels die wel lachspiegels geworden leken, probeerden een quick step uit en duwden met hun vingers door het stuc dat van de muren viel. In de ventilatiekanalen vonden ze oude militaire plattegronden van de Balkan, bestemd voor plannen die nooit zijn uitgevoerd. Verstopt en vergeten? Wie weet. Verhalen genoeg. Echt gebeurd of toevallig verzonnen.

 

 

Toeval. Voor een flaneur is het toeval van levensbelang en voor het vertellen van verhalen is het onontbeerlijk. Net als een schrijver moet de flaneur wel degelijk van start gaan met een plan. Hij wil immers iets. Iets meer dan de tijd doden. Hij wil de lezer de stad leren zien, twee schijnbaar toevallige gebeurtenissen met elkaar verbinden waardoor betekenis ontstaat en de wereld zich ontvouwt voor je voeten. Paul Auster is de meester van het toeval. De eerste zinnen van ‘City of Glass’ schrijft hij:

 

‘Veel later, toen hij in staat was om na te denken over de dingen die hem overkomen waren, zou hij tot de slotsom komen dat niets echt bestond behalve het toeval. (…) Het gaat er niet om of het anders had kunnen lopen of dat alles bij voorbaat vaststond. Het gaat om het verhaal zelf, en of het al of niet iets betekent hoeft het verhaal er niet bij te vertellen.’

 

De stad vertelt onophoudelijk verhalen aan wie ze horen wil. Alle grondstof is er al, alle inspiratie die je nodig hebt, maar je moet er wel voor de straat op en je oren en ogen openzetten. De verhalen houden zich schuil in de barsten van het oude asfalt, zijn weggestopt in kieren van oude huizen en rimpels van mensen aan wie niemand meer iets vraagt. Ze zijn te horen voor wie de tijd neemt om te luisteren en wie openstaat voor toeval en voor de belofte die een half woord vaak in zich verbergt. Het plan? Er was geen plan. Ik ben maar wat gaan lopen. Zo is een nieuw verhaal ontstaan. Mijn verhaal.

 

 

 

 

 

Linda Huijsmans

Juni 2006