‘Ik wil ‘achter de tijd’ kijken’

Gesprek met Annejet van der Zijl

 

door Linda Huijsmans

 

 

‘Circus Jetje’, zo noemt Annejet van der Zijl (1962) de storm van aandacht en publiciteit rond haar werk en persoon. Twee jaar werkte ze ‘op haar zolderkamer’ aan Anna, de biografie van Annie M.G. Schmidt. Dat werd zo’n succes dat ze besloot de tijd te nemen voor een klein project waar aanvankelijk niemand in geloofde. Maar Sonny Boy betekende haar definitieve doorbraak, al verbaast ze zich nog steeds over het publicitaire circus waarin ze zelf de hoofdact is.

 

 

‘Ik ben een beroepsbuitenstaander’, zegt Annejet van der Zijl. ‘Dat ben ik mijn hele leven al, en daar heeft het succes van de afgelopen jaren niets aan veranderd.’ In een rustig hoekje van een groot café in Amsterdam, bekent ze dat ze zich behoorlijk ongemakkelijk kan voelen onder alle aandacht. ‘op de verjaardag van mijn moeder storten al haar leesclubvriendinnen zich op míj, in plaats van haar. Daar word ik nog steeds heel onzeker van.’

 

Eigenlijk ben je nog steeds dat verlegen meisje uit Leeuwarden dat graag alleen is en veel leest, zoals je jezelf ooit omschreef.

‘Vroeger hield ik erg van de sprookjesboeken van P.J. Bouman en van geschiedenisboeken als De revolutie der eenzamen. Ik smulde van Kruistocht in spijkerbroek en Alleen op de wereld. Nog steeds lees ik graag grootse en meeslepende boeken. Smilla’s gevoel voor sneeuw is een van mijn favorieten. Daarin wordt de sfeer van die wereld zo goed beschreven dat je het gevoel krijgt dat je het zelf meemaakt. Net als De Schaduw van de wind of  Kapitein Corelli’s mandoline zijn het allemaal boeken waarin geschiedenis en fantasie gecombineerd worden. Ze maken mijn eigen wereld groter en dat probeer ik ook te doen als ik schrijf.’

 

 

Na je opleiding journalistiek in Londen, kwam je bij de Haagse Post terecht, waar je onder andere reconstructies van misdaadverhalen ging schrijven. Wat trok je daarin?

‘Mij fascineerde de vraag waarom iemand iets slechts doet. Hoe komt een gewone, vaak onopvallende burger ertoe om opeens iets heel erg fout te doen? Bij Sonny Boy heb ik die vraag omgedraaid. Dat is mijn eigen kleine onderzoek naar heldendom geworden. Het is het verhaal van onbekende burgers die iets goeds doen. Rika en Waldemar hadden het zelf bepaald niet makkelijk: ze kregen te maken met racisme, leeftijdsverschil, ze hadden weinig geld,  een klein kind en dan namen ze ook nog joodse onderduikers in huis. En net als bij de misdadigers, bleek ook hier het verhaal veel genuanceerder te liggen. Zo ontdekte ik dat Nederlanders die joden in huis namen niet alleen maar onbaatzuchtige helden waren. Ze kregen er ook geld voor en dat zal vaak een belangrijke overweging zijn geweest.’

 

 

Hoe kwam je op het idee voor Sonny Boy? Je uitgever was aanvankelijk bepaald niet enthousiast.

‘Een collega bij HP/De Tijd had me lang geleden al een keer bij het koffieapparaat gepolst: “zeg, jij schrijft toch historische reconstructies?”. Zij vertelde me het verhaal van haar schoonvader en ik was meteen geïnteresseerd. Toen de biografie van Annie M.G. Schmidt zo’n succes werd, dacht ik: nu heb ik de tijd en ga ik iets voor mezelf doen.

Toen ik er aan begon was niemand echt enthousiast. Veel mensen reageerden een beetje vermoeid: niet weer die oorlog. Maar ik wilde het per se schrijven. Als het geen commercieel succes wordt, is het in elk geval leuk voor Waldy en zijn kleinkinderen, dacht ik.’

 

 

Journalisten die boeken schrijven zijn erg populair. Geert Mak is natuurlijk hét voorbeeld, maar Judith Koelemeijer met Het zwijgen van Maria Zachea en Frank Westerman met De Graanrepubliek of El Negro hebben ook niet over gebrek aan aandacht te klagen. Hebben jullie een nieuw genre in het leven geroepen?

‘Dat denk ik niet, maar je ziet wel dat de geschiedschrijving deels is overgenomen door journalisten van mijn generatie. We hebben gemeen dat we op zoek zijn naar de historische waarheid: misschien zijn we het nieuws gaan wantrouwen omdat we in ons werk hebben gemerkt dat je als journalist vaak word gebruikt en gemanipuleerd.

Bovendien grijpen mensen in onzekere tijden graag terug op de geschiedenis. Dat verklaart voor mij het huidige succes van De eeuw van mijn vader van Geert Mak. Mijn biografie van Annie M. G. Schmidt is wel “de eeuw van mijn moeder” genoemd en de personen uit Sonny Boy zijn de speelbal van de grote geschiedenis zijn geworden. Twee grote verhalen uit het Nederlandse verleden komen daar bij elkaar; de slavernij en de jodenvervolging.

Ik voel me soms net een archeoloog. Ik leer veel over het leven door erover te schrijven. In mijn boeken probeer ik mijn eigen vragen over het leven via verhalen van anderen uit te zoeken.’

 

Welke vragen zijn dat?

‘De vraag die tot Jagtlust leidde, bijvoorbeeld, was: Hoe te leven. Dat boek is een portret van een groep kunstenaars die in de jaren vijftig, als een voorbode van de generatie van ’68,  een vrij en losbandig leven leidde. Zelf groeide ik op in de jaren zeventig en tachtig, de tijd van de atoombom, grote werkloosheid en algehele somberte. Ik vond het een verwarrende tijd. Mijn ouders bleven keurig bij elkaar, maar ik zag om me heen hoeveel er gingen scheiden en, moeders die opeens lesbisch werden. Mijn generatie kreeg kortom geen voorbeelden van hoe een relatie er uit moest zien. Door dat boek te schrijven hoopte ik iets meer te begrijpen van de wereld en hoe die geworden was zoals die was.

Op de redactie van de Haagse Post liepen ook mensen rond die zich voluit in het leven stortten: ze dronken, snoven en hadden vrije seks. Ik zat daar als een stil meisje uit de provincie met grote ogen naar te kijken.’

 

Je hebt wel eens gezegd dat het ontrafelen van de mythe een belangrijke drijfveer voor je is.

‘Ik kijk graag naar wat er achter een mythe schuilgaat. In het beeld dat anderen van Annie Schmidt schetsten was ze zo geestig, zo perfect, dat ik dacht; daar moet een echt mens achter zitten. Nu werk ik aan de biografie van Prins Bernhard en die man is één grote mythe. Hij was zowel held als schurk en hij riep heftige emoties op, variërend van grote verontwaardiging tot aanbidding. Die twee kanten wil ik bij elkaar brengen. Ik wil die man echt leren kennen om zijn leven en zijn keuzes te begrijpen.  

Sonny Boy was voor mij gewoon een verhaal dat graag verteld wilde worden. Het probleem was echter dat er heel weinig documentatie beschikbaar was en soms kwam ik op heel wonderlijke manieren aan mijn informatie. Tijdens mijn eerste bezoek aan Suriname vertelde iemand me tussen neus en lippen door een verhaal over zijn vader die hem had verteld dat hij aan het eind van de oorlog samen met Anton de Kom in zee terecht was gekomen, nadat het schip waarop ze zaten was gebombardeerd. Later hoorde ik dat Anton de Kom vlak voor de bevrijding in een concentratiekamp was overleden. Hij kon het dus nooit geweest zijn. Dat betekende dat die man in het water een andere zwarte man  moest zijn. Ik ben de archieven ingedoken en ontdekte dat Waldemar Nods op die boot terecht gekomen was. Kun je je voorstellen wat een spannend  leven ik heb?’

 

 

Toen je begon aan de biografie van prins Bernhard, heb je iemand ingeschakeld om je te helpen met de research. Inmiddels doe je dat weer helemaal zelf. Waarom?

‘Ik miste het. Het is een van de leukste onderdelen van mijn werk. Bovendien denk ik al tijdens het onderzoek en de gesprekken die ik voer, na over hoe ik het verhaal ga opschrijven. Ik zit nu veel bij “oude knarren” thuis en geniet ervan om naar hun levensverhalen te luisteren. Dat zou ik erg missen als ik alleen maar fictie zou schrijven. Voor mij is dit een mooie manier om de wereld te ontdekken en ik heb besloten op Bernhard te promoveren om het onderzoek nog extra gewicht te geven.

Niet dat ik alleen maar met mijn neus in de archieven zit. Ik ben zelf met de boot naar Suriname gevaren, zoals Waldemar destijds, ik heb op de veranda in Paramaribo gezeten, die ervaringen zijn belangrijk geweest bij het schrijven van Sonny Boy.’

 

 

Hoe pak je het  aan? Je baseert je op bestaande bronnen, maar maakt ook gebruik van technieken van fictieschrijvers.

‘Om te beginnen maak ik een factsheet waarin ik alle feiten onderbreng en orden. Dat is mijn ruwe versie. In die fase denk ik vaak al: dat is een mooi einde voor een hoofdstuk, bijvoorbeeld, of ik combineer bepaalde feiten met elkaar waardoor er nieuwe inzichten ontstaan. Ik bouw als het ware een stalen fort van feiten waar ik als een Houdini in rondkronkel en probeer er een smakelijk en toegankelijk verhaal van te maken.

Ik wil de lezer bij de lurven grijpen. De grootste valkuil bij het schrijven van een biografie is dat je vervalt in ‘en toen en toen en toen’. Bij Anna gebeurde dat op een gegeven moment ook, tot ik het idee kreeg om een hoofdstuk te beginnen vanuit het gezichtspunt van Dick, haar zoon. Daarmee introduceerde ik een nieuw personage en waaide er opeens een frisse wind door het verhaal. Schrijven is een ambacht en ik ben een ambachtsvrouw. Ik heb een set gereedschap tot mijn beschikking en gebruik die zo goed en efficiënt mogelijk.’

 

Heb je voorbeelden, schrijvers die je graag leest?

‘Ik vind Sebastian Haffner een hele goede schrijver omdat hij onbevooroordeeld kan denken. Hij durft waardevrij te redeneren en dat vind ik knap. Zijn eerlijke, precieze manier van schrijven is een voorbeeld voor me. Hij probeert het nazisysteem te begrijpen en daarmee begeeft hij zich op glad ijs, maar mij bevalt dat. Niets als vanzelfsprekend aannemen, dat is de enige manier om ooit te kunnen begrijpen waarom mensen meededen in dat systeem.

Bernhard probeer ik ook zo te benaderen  Ik wil geen oordeel geven. Ik wil “achter de tijd” kijken: hoe was het om toen te leven zonder te weten wat we nu weten. Wat wisten Waldemar en Rika bijvoorbeeld? Dat wil ik reconstrueren en zo ‘een waarheid’ benaderen.’

 

Heb je nog dromen, plannen voor boeken, die je nog niet hebt geschreven?

‘In de eerste versie van Sonny Boy stond aanvankelijk een groot hoofdstuk over de plantage waar de familie van Waldemar vandaan komt, De Dageraad. Dat deel heb ik met bloedend hart moeten schrappen, maar het ligt nog steeds op me te wachten, ik hoop er ooit nog iets mee te gaan doen. Wellicht ga ik er een historische roman over schrijven. Een portret van de plantage en een geschiedenis van Suriname door middel van persoonlijke verhalen.’

 

Je voelt je erg thuis in Suriname. Kun je je voorstellen dat je je er ooit definitief zult vestigen?

‘Ik ben zeker van plan er voor langere tijd te gaan wonen als ik dat boek ga schrijven. Maar ik denk dat een mens graag bij zijn eigen wortels blijft, of er weer naar terugkeert. Ik in ieder geval wel. Je komt ergens vandaan, daar ben je thuis. Na mijn jaar in Engeland wilde ik toch ook weer terug. Ik miste de terrassen, ik miste mijn fiets. De overgang van Friesland naar Amsterdam ging nog net, maar Londen is te groot voor mij.’