‘Ik ben zwakker dan
vroeger’
Anna Enquist (1945) is een veelgelezen en veelgeprezen
schrijfster. Ze debuteerde als dichteres met Soldatenliederen. Na drie bundels verscheen haar eerste roman Het meesterstuk die zeer goed werd ontvangen.
Een paar jaar geleden zegde ze haar baan als psychoanalytica op om zich
helemaal op het schrijven te kunnen richten. Augustus 2001 verongelukte haar
dochter Margit. Haar meest recente dichtbundel De tussentijd staat helemaal in het teken van dit persoonlijke
drama.
Het is een groots werk, het neemt
al onze uren, het losmaken
van de dochter uit ons.
(Uit:
De Tussentijd)
Het trof me dat u een paar maanden na het ongeluk in de media al zo
open over de dood van uw dochter sprak.
Dat kwam door
de omstandigheden. Ik had het boekenweekgeschenk
geschreven en er waren veel publiciteitsafspraken gemaakt voor. Ik heb besloten
ze na te komen, op voorwaarde dat ik in elk interview die dodehoekspiegels aan
de orde mocht stellen. Margit is overreden door een rechtsafslaande
vrachtwagen. De chauffeur had haar niet gezien. Via een publiciteitsoffensief
wilde ik de minister dwingen om die dodehoekspiegels eerder verplicht te
stellen dan was gepland. Dat is gelukt. Daarna heb ik alles afgezegd wat in de
agenda stond. Natuurlijk had ik onder die publiciteit uitgekund, maar ik was zo
verontwaardigd. Die spiegel bestond al zeven jaar. Hij is uitgevonden door een
vader die zijn zoon op dezelfde manier heeft verloren. Het ministerie heeft er
geen enkele aandacht aan besteed. Dat maakte mij zo woedend dat ik het moest
proberen.
In die missie bent u geslaagd. Die spiegels zijn verplicht. Wat
voor gevoel geeft dat?
Ach,
eigenlijk maakt het niks uit. Met mijn verstand ben ik er tevreden over. Er
vinden nu minder ongevallen plaats. Maar het gebeurt nog steeds hoor, er zijn
chauffeurs die er gewoon niet in kijken.
Over de dood van uw dochter heeft u gezegd: ‘zo’n
gekmakende gebeurtenis gooit je uit de taal’.
Hoe beïnvloedde het u als schrijver? Is taal een geschikt middel
om greep te krijgen op de werkelijkheid?
De eerste
tijd heb ik helemaal niet geschreven. Mijn hoofd stond daar helemaal niet naar.
Maar na verloop van tijd merkte ik dat ik weer gedichten ging schrijven.
Dat klinkt alsof dat vanzelf gaat
Dat is
met poëzie bijna altijd het geval. Dat kan ik niet afdwingen. Bij proza is dat
heel anders. Daar ga ik echt voor zitten en maak ik een plan.
Poëzie is afwachten wat er opkomt.
Daarna komt de fase
van het puzzelen en het schaven. Ik moet zeggen dat ik dat nu wel prettig vond,
die ambachtelijke kant van het vak. Het nadenken over hoe lang de regels moeten
worden, welk woord waar moest staan, technische dingetjes, dat gaf enige
afstand.
Had het ook proza kunnen zijn?
Nee. Het
soort concentratie dat ik daar voor nodig heb kon ik helemaal niet op brengen.
Maar dat is heel persoonlijk. Frans Thomése heeft na
de dood van zijn dochtertje proza geschreven: Schaduwkind. Dat is
blijkbaar zijn medium. Ik ben in de eerste plaats dichter.
Ik kan me voorstellen dat u in tijden van groot verdriet eerder
naar muziek grijpt dan naar poëzie.
Ja, dat
is ook zo. Ik ben weer begonnen met piano spelen. Ik studeer moeilijke stukken in,
waar ik al mijn aandacht voor nodig heb, stukken met moeilijke vingerzettingen.
Ruim twee jaar na het ongeluk ligt er nu een dichtbundel De tussentijd.
Poëzie is een heel persoonlijk medium, maar nu liggen de gedichten
op straat.
Geeft u dat een kwetsbaar gevoel?
Nee. Op
het moment dat mijn gedichten de deur uitgaan moeten
ze op eigen benen staan. Ik ga geen veertig gedichten schrijven om ze in een
laatje te leggen. Ik ben schrijfster en ik schrijf over wat me bezighoud. Ik
heb het ongeluk dat dat de dood van mijn dochter is.
Het is niet anders, daar moet ik over schrijven. Het prettigst is om alweer met
je volgende boek bezig te zijn als een bundel uitkomt. Echte schrijvers doen
dat. Bij mij was dat nooit het geval, omdat ik altijd een andere baan ernaast
had. Als een boek af was wilde ik daarna altijd een periode niets doen, maar in
dit geval was dat anders. Daarom heb ik er voor gezorgd dat ik op streek was
met een ander boek toen deze bundel uitkwam. Dat was voor mij de enige manier
om het echt te kunnen laten gaan.
Ik vond
het ook moeilijk om deze bundel in te leveren, dat had ik anders nooit. Het
voelde zo definitief, alsof ik daarmee een periode af zou sluiten.
Wat is dat voor boek, waar u nu aan werkt?
Het is
een historische roman die speelt aan het eind van de achttiende eeuw een gaat
over scheepvaart en ontdekkingsreizen. Het is een van de onderwerpen die op
mijn lijstje stonden. Toen ik begon met het schrijven van proza waren er drie onderwerpen waarin ik me echt wilde verdiepen.
Het eerste was Don Giovanni, daar heb ik Het
meesterstuk over geschreven. Het tweede was de techniek van het
pianospelen, dat is Het geheim geworden en het derde is de scheepvaart,
dat is dit boek. En daarna hoef ik nooit meer een roman te schrijven (lacht
spottend).
Ik heb
heel lang tegen die historische roman aan gehikt. Het leek me wel goed om er
juist in deze omstandigheden aan te gaan werken. Niet zozeer vanuit de
hartstocht maar uit verstandelijke overwegingen. Het geeft regelmaat aan mijn
dagen. Voor het eerst in mijn leven typ ik mijn aantekeningen zelf uit. Mijn
manuscript bestond altijd uit handgeschreven blocnotes, die de uitgever liet
uittikken. Nu ga ik er zelf nog een keer helemaal doorheen maar het geeft ook
vulling aan de dagen.
Ik ben nu
op de helft en begin het leuk te vinden. Ik ben benieuwd hoe het gaat aflopen
en hoe ik de historische gegevens ga invullen.
Is uw stijl, de manier waarop u schrijft,
veranderd na Margits dood?
Nee, dat
geloof ik niet. Je stijl is toch de spiegel van wie je bent. Ik ben misschien
niet meer zo inventief, doordat ik minder geconcentreerd ben. En ik werk zonder
plan. Dat is ook iets nieuws. Ik kan niet de concentratie opbrengen om het
verhaal helemaal van begin tot eind door te denken. Toen ik daar een keer mijn nood
over zat te klagen bij een collega-schrijver, zei die: ga gewoon zitten en
begin. Dat heb ik toen maar gedaan.
Wat gebeurt er met de poëzie nu u met proza bezig bent?
Dat ligt
helemaal stil. Het is zo’n andere manier van werken,
dat is niet te combineren. Dat zijn verschillende categorieën in mijn kop. Raar
is dat, maar zo werkt het wel. Dat hoor ik ook van collega’s, zoals Henk Bernlef die heeft dat ook. Het is of het een of het ander.
Heeft u als schrijver
voordeel van uw kennis en ervaring als psychoanalytica?
Het heeft
de manier waarop ik naar mensen kijk sterk bepaald. Mijn waarnemingsvermogen en
manier van denken zijn er sterk door beïnvloed.
Wat fascineert u zo in
uw vak?
In
samenspraak met de patiënt te verwoorden wat er aan de hand is, zodat iemand
het zich kan toe-eigenen en ermee verder kan leven. Dat is een kwestie van
taal. Je probeert de persoon en de levensfase waaruit het probleem afkomstig
is, zo te formuleren dat het zo dichtbij komt. Dat de patiënt het zich kan
toe-eigenen en er eigen woorden voor kan vinden. Als dat dan lukt vind ik dat
heerlijk.
Dat is eigenlijk ook wat u met personages doet
Ja, dat
verschilt eigenlijk niet zo veel. Alleen het doel is anders. Als therapeut
probeer je aansluiting te vinden bij een patiënt. Bij poëzie is het doel een zo
mooi mogelijk gedicht te maken. Het proces is hetzelfde: je zoekt naar de
juiste woorden.
Hoe vaak lukt dat? Is een gedicht af als u denkt: dit is precies
wat ik heb willen zeggen, of als u denkt: dit is het beste wat ik op dit moment
kan?
Dat
verschilt. Soms heb je wel eens een gelukje, dan weet je: dit is het. Heel vaak
denk ik ook: ik had heel veel mogelijke gedichten in mijn hoofd, het is nu dit
geworden. Jammer, volgende keer weer verder. Ik ben niet iemand die eeuwig blijft
knutselen omdat het perfect moet zijn. Het kan ook goed genoeg zijn.
Staan er in De tussentijd wat u betreft van die
‘gelukjes’: gedichten die perfect zijn?
Sectie is een verschrikkelijk gedicht, maar
daar ben ik tevreden over. Het drukt uit wat ik wilde uitdrukken. Het moest
hard zijn, het moest nauwelijks te lezen zijn en dat is het ook geworden. Het
kan me niet schelen wat anderen er van vinden. Dat klinkt onaardig, maar in
wezen is dat wel zo. Zeker bij deze gedichten. Ik wilde ze gewoon schrijven.
Als mensen begrijpen wat ik ermee heb willen uitdrukken, of als het ze
aangrijpt, dan is dat meegenomen.
Zijn reacties van lezers nu belangrijker dan anders?
Deze
heeft nog een extra functie. Ik krijg brieven van lezers die het prettig vinden
dat het iets van hun verdriet verwoordt. Als schrijver kun je daar heel bekakt
over doen, dat je daar niets mee te maken hebt, maar ik vind het toch wel een
prettige bijkomstigheid. Het is mooi dat iets wat je zelf maakt mensen kan
troosten. Dat is vergelijkbaar met mooie muziek. Het steunt mij en dat heb ik
nodig. Ik ben zwakker dan vroeger.
Vindt u zelf troost in andere boeken?
Nee. Ik
voel niets bij boeken. Zelf muziek maken is het enige wat een beetje verlichting
geeft. Dat komt ook doordat ik met mijn dochter samen veel heb gemusiceerd. Dat
voelt dicht bij haar, ik weet dat zij het ook prettig zou vinden.
Tussentijd is nogal afstandelijk
besproken. Alsof de recensenten bang waren iets onaardigs te zeggen omdat het zo
persoonlijk is.
Wat vindt u daarvan?
Ik
schrijf natuurlijk niet voor de kritiek. Ze zoeken het maar uit. Ik kan me daar
niet ook nog over opwinden. Het is al zo’n opgave. Ze
zoeken het maar uit. Ik kan het er niet meer bij hebben.
Verschenen
in: Boekdelen augustus 2004